Geveltekens



Wat zijn het?

Een gevelteken is niets anders als de bekroning van de topgevel, vandaar dat ze ook wel topgeveltekens worden genoemd ter onderscheiding van bijvoorbeeld gevelstenen of gevelversiering door middel van speciaal metselwerk. In de volksmond wordt er echter meestal over geveltekens gesproken, waarmee dus in feite topgeveltekens worden bedoeld.

Als je in deze materie ingezogen wordt, dan bemerk je pas hoe gecompliceerd eigenlijk zo’n eenvoudig gevelteken wel in elkaar zit. Niet qua materiaal natuurlijk, want daarvoor heb je alleen maar een eikenhouten plank van bepaalde afmetingen nodig en een goede zaag. Je bedenkt wat figuren en je gaat aan het zagen. En daarmee ben je dus klaar toch (?!), of toch niet?

Nee, dus niet. Want zo’n simpel gevelteken, bestaande uit die uitgezaagde plank, blijkt een verleden te hebben, dat je heel ver terug in de tijd voert. Het gaat namelijk niet om die houten plank. Nee, je gaat terug in de geschiedenis van het huis. Naar het huis, dat als blijvende woning diende. En daardoor terug naar die op zich zo simpele gelovige gedachte erachter, dat dit rijke bezit beschermd dient te worden.

En ook qua materiaal zijn er ook veel meer mogelijkheden, dan alleen een houten plank. Ik heb ze in koper, ijzer, cement, gips, steen en nog veel meer materialen gezien. Het extreemste voorbeeld was in de Tatra in Polen: oude, dode boomspitsen met allerlei zijtakken, die als levensboom dienden en aan de topgevels waren aangebracht.

Daarnaast is er dan de vormgeving: van heel eenvoudig tot hoogst creatief, van complete beeldhouwwerken en prachtig smeedijzeren werk tot simpel doorgetrokken windveren, waarschijnlijk de oudste vorm.

Als je vervolgens in de symbolen, die er in verwerkt worden, duikt, komt nog veel meer werelderfgoed te voorschijn brengen. Kortom het is een speurtocht in de historie, maar gelijktijdig worden we er ook elke keer weer mee geconfronteerd, dat dit soort tekens, veelal onbewust (dus echt zonder de diepere betekenis erachter te weten) worden aangebracht. Een goed bewijs daarvoor zijn de paardenkoppen. Dit zijn voorchristelijke symbolen. Dat we er nu een kruisje opzetten, wil echter nog niet zeggen, dat ze daarmee ook ineens hun oeroude inhoudelijke betekenis zouden hebben verloren, omdat men wellicht ergens in onze lange historie daarmee heeft aan willen geven, dat men als katholiek beschouwd wenste te worden! Iets dat bovendien eerder op de boerderij van toepassing was en minder op de bewoners! “’t heurt bi`j `t hoes” is de terechte titel van een boek over de geveltekens in Oost-Gelderland.

Voor mij bewijst het alleen maar dat dit soort oeroude symbolen en gebruiken van generatie op generatie over gaan en zelfs als de diepere achtergrond verloren gaat, men toch één zekerheid (zonder welke religieuze invloed dan ook) heeft proberen te behouden: namelijk die enige allerdiepste achtergrond: beschut dit huis voor boze geesten!

Zo simpel zijn geveltekens, dat je, als je je er echt in verdiept, een ontdekkingsreis maakt, die veel verder gaat dan de gebruikelijke regionale folklore. Want je ontdekt, dat ze overal op onze aardbol en (wat veel belangrijker is!) steeds met die ene, zelfde betekenis voorkomen. Dus moet er iets meer zijn, dan iets regionaals.

Je leert, dat er natuurlijk de nodige sociale en culturele invloeden zijn geweest. Bijvoorbeeld via emigratie, soms al van eeuwen geleden. Of tijdens de diverse kunststijlen om maar iets te noemen: de tijd van het Neoclassicisme of de Neoromantiek, maar ook de Jugendstil en de Art Nouveau, en niet te vergeten komen in de laatste decennia weer heel nieuwe vormen op. Als je echter dieper vorst dan leer je, dat de symbolen verder terug gaan in de tijd. Niet tot in de 18de eeuw of 16de eeuw, zoals sommigen onderzoekers ons doen geloven. Wie de middeleeuwse wiegendrukken (tegenwoordig vrijwel allemaal via internet bereikbaar) doorloopt, zal ontdekken, dat ook in de 10de en 11de eeuw al geveltekens in tekeningen zijn te vinden. In het zogenaamde Utrechts Psalter, dat rond 830 gedateerd wordt, heb ik niet minder dan 87 geveltekens geteld.

We vinden ze terug bij de reliekschrijnen uit de vroege Middeleeuwen. Een vormgeving overigens, die teruggaat op de zogenaamde huisurnen, die al vele eeuwen voor onze jaartelling als dodenhuis geduid worden. En ook de kerken en tempels werden en worden nog als Godshuis betiteld, het huis van God! Eveneens voorchristelijk vinden we ze terug in de Romeinse mozaïeken en nog verder terug in de rotstekeningen van de Val Camonica, gedateerd tussen 500 en 1000 voor onze jaartelling. Ook in Babylonische en Egyptische bouwwerken zijn ze terug te vinden. Noordelijke archeologen als Flemming Kaul, Gerhard Milstreu en Dietrich Evers achten het als bewezen, dat de bootstevens bij de rotstekeningen in het Baltische gebied (ook daar zijn veel paardenkoppen bij), dezelfde betekenis hebben als de geveltekens op een huis. Als dat zo is en waarom zou het dus niet zo zijn, dan gaan we nog veel verder terug in de tijd. In Litauen (Sventoji) en Finland (Rovaniemi) zijn bootstevens teruggevonden die op +/- 7700 en +/- 2400 voor onze jaartelling gedateerd worden. Kortom het is allemaal ietwat ouder dan we wel hebben gedacht en vaak nog wordt beweerd!

Ik waag dan ook de stelling dat ze feitelijk vanaf het begin van de woningbouw al gebruikt worden. Dat betekent, dat ze teruggaan tot de tijd waarin de mens van jager tot landbouwer werd. Die tijd moet een revolutionaire zijn geweest. De mens werd standvastig. Voor die omwenteling was een huis iets tijdelijks. Had het geen andere waarde dan beschutting tegen de weersinvloeden. Nu men standvastig werd, kreeg het huis een heel andere betekenis. Er werd meer op comfort gebouwd en zo ontstond er iets dat voordien onbekend was.

Namelijk het meest essentiële element: er ontstond echt eigen bezit. En wie meer had dan een ander was rijker en belangrijker. Een vorm om dat te uiten was de bouw en de inrichting van je huis, maar ook van jouw dodenhuis en van jouw godshuis. In de latere grotere sociale gemeenschappen (dorpen en steden) werd die vorm herhaald: raadhuizen, kerken, kapellen, burgerhuizen, villa’s, paleizen, enzovoort. Op begraafplaatsen in de vorm van kapellen en mausolea, en de godshuizen kregen hun eigen uitdrukkingsvorm, waarin m.n. de kathedralen van de Middeleeuwen een wel heel bijzondere rol hebben toebedeeld gekregen.

Of het nu in het Midden Oosten, Egypte, Griekenland, Rome of later in ons eigen land overal is díe ontwikkeling terug te vinden én het gevelteken, die afsluiting van de gevel. De bouwmaterialen leenden zich vroeger overigens uitstekend voor versieringen: leem op wilgentenen en hout. Hoewel wij het ons nog nauwelijks kunnen voorstellen is tot voor vijfhonderd jaar hout het belangrijkste bouwmateriaal geweest! Ondanks het grote gevaar dat houten huizen altijd weer bedreigde: vuur. Een van de meest gevreesde weerelementen is wel het hemelvuur, beter bekend als de bliksem, geweest. Met letterlijk één klap kon je hele bezit in de kortst mogelijke tijd verdwenen zijn. Dus was het best wel wat waard om extra bescherming af te dwingen. Daar kon je niet al te gemakkelijk mee omspringen. Zo simpel liggen soms dingen.

En wat was daarbij eenvoudiger als het gevelteken? Op zich al een afweerteken, maar door het gebruik van allerlei symbolen kon je het nog versterken. Symbolen, die al veel langer bekend waren, zoals de geometrische figuren, als bijvoorbeeld het maalteken, dat we ook als zandloper kennen, of de maanfasen, of de levensboom. Nogmaals m.i. doet het niet terzake, dat de meeste van deze symbolen later gekerstend zijn. Van de levensboom is bijvoorbeeld bekend, dat hij in het vroege Soemerië (rond 3.000 voor onze jaartelling) al als vrucht-baarheidssymbool werd gezien. En hierin is ook na de kerstening feitelijk geen verandering gekomen. Dat de bliksem als een slang gezien wordt, is nog steeds het geval, ook als symbool. En in dit geval gaat het heel veel verder terug, want de slang vinden we al in de grotschilderingen in Frankrijk en Spanje. Overigens wordt in de streek waar ik nu woon, nog altijd een oud gebruik in stand gehouden. In Mecklenburg-Vorpommern vind je in veel schoorstenen een steen met golflijnen, die de bliksem voorstelt, ingemetseld. Het volksgeloof wil, dat de bliksem maar één keer op dezelfde plaats inslaat. Dus is dit het teken: je was hier al een keer! En wie goed rondkijkt, kan nog regelmatig huislook op de daken vinden!

Zo is ook het zonnerad een teken, dat al veel ouder is en feitelijk niets christelijks heeft. Dat het als swastika of hakenkruis in de nazi-tijd volledig misbruikt is, is uiterst betreurenswaardig. Dat betekent ook, dat bijvoorbeeld de literatuur over de volkskunst uit de tijd van rond 1930 tot en met eind jaren zestig van de vorige eeuw uiterst kritisch dienen te worden gelezen. In de naoorlogse jaren zijn diverse auteurs en professoren uit de nazi-tijd weer in ere hersteld en gingen qua publicaties vrolijk verder, zij het in ietwat gekuiste vorm, waar ze waren blijven staan! Bekendste voorbeeld is wel Richard Wolfram. En onbegrijpelijk veel van wat eens als standaard wordt gezien, wordt zonder enige kritische beschouwing overgenomen. Alle verwijzingen naar het heidendom in de zin van de Noordse mythologie, zoals bijvoorbeeld Farwerck en de Vries hebben betoogd, dienen feitelijk als pure onzin uit nationaal-socialistisch oogpunt ter zijde worden geschoven. Hetgeen overigens ook weer niet wil zeggen, dat alles wat zij geschreven hebben, onzin zou zijn! Het ligt echter allemaal iets gecompliceerder en minder vastgeketend aan bepaalde culturen, ideologieën, landen of regio’s. Het is veel algemener, want als we de Japanse, Indiase, Indonesische, of Chinese bouwkunst bekijken, dan zien we een uiterst grote rijkdom aan gevelversiering en geveltekens. Evenwel allemaal met dezelfde betekenis, die wij er aan hechten. Kan dat toeval zijn? Mijn inziens niet. Het duidt op een gemeenschappelijke uitgangspunt.

Ik wil hier ook graag verwijzen naar een theorie van de Amerikaanse antropologe Adrienne Mayor, die de herkomst van de “Griffioen” heeft onderzocht. Van oudsher een schrikbeeld, dat in vele wapens (Ooststellingwerf bijvoorbeeld) nog voorkomt. Was het een fabeltier: deze leeuw met vleugels, geweldige klauwen en een adelaarskop? Mevrouw Mayor verwijst naar de opvallende overeenkomst met die van een vaak in de woestijn Gobi gevonden sauriër, de protoceratops. Daarvan worden heden ten dage ook nog versteende eieren gevonden. Zij gaat ervan uit, dat reizigers en handelaren verhalen over deze “onbekendheid” en dus fabeldier gedoopt, omdat men het niet precies kon omschrijven, via de handelswegen onze regio’s hebben bereikt. Van China tot Wales vinden we dit fabeldier nog altijd terug!!! Alsof de geschiedenis ons niets gebracht zou hebben, alsof we na elke generatie alles van de vorige al vergeten zouden zijn. Carl Gustav Jung heeft al uitvoerig over het “collectief onbewuste” en symbolen geschreven. Natuurlijk is hij “ouderwets”, maar is hij dat eigenlijk wel? Nee, integendeel hij was een pionier op dit gebied en het is de hoogste tijd, dat het tot een opwaardering van zijn theorieën komt en nieuwe impulsen eraan toegevoegd worden.

In onze moderne tijd, waarin een eigen huis zo iets doodgewoons is, kunnen we ons nauwelijks nog voorstellen, welk een geweldig bezit dit vroeger geweest moet zijn geweest. Alhoewel hoeveel waarde hechten we nu nog aan ons bezit, hetzij in grond, huis, kapitaal, juwelen, auto`s, jachten, kunst, enzovoort? Ook nu is bezit nog altijd heel erg belangrijk. In het bewuste en onbewuste van de mens leeft vanuit die allervroegste tijden nog altijd dat beschermen van zíjn bezit voort. Kijk maar hoe mensen reageren, als ze hun bezit bedreigd voelen door bijvoorbeeld immigratie om maar één voorbeeld te noemen. Nu de weersinvloeden wat minder gevaarlijk zijn geworden, komen er sociale problemen voor terug. In een volgend artikel kom ik daarop graag terug.